Groene groei, Groene Paradox en de wereldcrisis

Groene groei, Groene Paradox en de wereldcrisisDe wereldwijde financiële crisis biedt een uitgelezen kans voor overheden om de weg van duurzame groene groei in te slaan. Vaak wordt gekozen voor invoering van CO2-heffingen, maar paradoxaal genoeg leidt dat op korte termijn tot een toename van brandstofgebruik. Een beter alternatief zou zijn om hernieuwbare energiebronnen te subsidiëren.

Groene groei, dat wil zeggen: economische groei op basis van duurzaamheid en natuurlijke grondstoffen, staat hoog op de agenda van internationale organisaties en individuele landen (e.g., OECD, 2011). Het wordt door sommigen beschouwd als het wondermiddel tegen de wereldwijde financiële en economische crisis. De grote vraag is op welke wijze we de groei van het nationale inkomen kunnen behouden zonder dat dit grote, onomkeerbare, negatieve consequenties heeft voor het milieu. Groene groei kan een belangrijke bijdrage leveren aan het teniet doen van de negatieve effecten van de verminderde welvaart, zoals werkeloosheid, vervuiling en de opwarming van de aarde. Vooral nu een groot deel van de wereld nog lijdt aan de gevolgen van de economische crisis.

Door de economie om te buigen naar schone sectoren is het mogelijk groene groei te bewerkstelligen zonder de omvang van de economie aan te tasten. Als alternatieve strategie tegen recessie is het geschikt doordat het zich richt op de vermindering van uitstoot van vervuilende stoffen en het de verwoesting en uitputting van natuurlijke hulpbronnen tegengaat.

Stimuleren van innovaties is beste methode om groene groei te bewerkstelligen

De huidige recessie biedt een uitgelezen kans voor overheden om de economie in de richting van duurzame groene groei te dirigeren. De beste manier om dit te doen is waarschijnlijk het stimuleren van research and development (R&D) door middel van subsidies. Dit geniet de relatieve voorkeur boven het instellen van CO2 heffingen (Acemoglu et al., 2012). Tegelijkertijd zou een overheid niet de pretentie moeten hebben dingen beter te weten dan het bedrijfsleven door in te zetten op specifieke vormen van hernieuwbare (duurzame) energie. De gigantisch hoge subsidies voor zonne-energie in Duitsland hebben bijvoorbeeld al de nodige kritiek gehad. Natuurlijk worden dergelijke subsidies vaak met de beste bedoelingen gegeven, als een second best ten opzichte van een geleidelijk stijgende CO2 taks, wat de algemene voorkeur heeft. Toch is, in politiek opzicht, het invoeren van heffingen op CO2 een stuk minder aantrekkelijk vanwege de ongewenste bij-effecten.

Vandaar dat brede, ongespecificeerde subsidiëring van hernieuwbare energiebronnen nog niet zo’n slechte keuze is. Wanneer duurzame energiebronnen goedkoper worden, zal dit waarschijnlijk een afname in het gebruik van fossiele brandstoffen teweegbrengen. Echter, deze verwachting alleen al kan op haar beurt juist weer aanleiding geven tot een stijging in het gebruik van fossiele brandstoffen op de korte termijn. Dit fenomeen staat inmiddels bekend als de Groene Paradox (Sinn, 2012).

Naarmate fossiele brandstoffen moeilijker te winnen zijn, wordt hernieuwbare energie aantrekkelijker

In de praktijk nemen delvingskosten voor fossiele brandstoffen toe wanneer diepere, moeilijk toegankelijke lagen aangeboord moeten worden. De markt zal het onaantrekkelijk vinden om deze reserves aan te boren tegen geringe winst. Deze situatie biedt gelegenheid om, met de invoering van subsidie voor hernieuwbare energie, toe te treden naar het CO2 vrije tijdperk. Immers, op het moment dat de overgang naar hernieuwbare energie plaatsvindt, moeten de delvingskosten voor fossiele brandstoffen gelijk zijn aan de prijs van hernieuwbare energie. Wanneer de prijs voor hernieuwbare energie daalt, blijft de voorraad onaangebroken fossiele brandstoffen liggen en bijgevolg zal de uitstoot van CO2 verminderen.

Hoewel dus op korte termijn de emissies hoger zullen zijn en de opwarming van de aarde zal toenemen, zal de uitstoot op de lange termijn afnemen. Dit laatste effect zal de overhand krijgen, met als gevolg dat een subsidie voor hernieuwbare brandstoffen op de lange termijn daadwerkelijk een afname van de opwarming van de aarde tot gevolg heeft. (Ploeg and Withagen, 2012).

Het zou de taak van beleidsmakers moeten zijn om de richting van technische ontwikkeling te sturen richting groene groei, vooral in tijden van economische crisis (Acemoglu et al., 2012). Weliswaar zullen R&D subsidies op de korte termijn te lijden krijgen van nadelige Groene Paradox effecten, maar desondanks zullen zij, in vergelijking met een totaal achterwege blijven van subsidies, tot gevolg hebben dat meer wingebieden voor fossiele brandstoffen onontgonnen blijven, wat uiteindelijk een vermindering van de opwarming van de aarde tot gevolg heeft. Slechts een kleine, marginale groep landen krijgt in haar klimaatbeleid te maken met vertraagde Groene Paradox effecten (ook bekend als import leakage of carbon leakage): de meeste landen zullen profiteren van de lagere brandstofprijzen en de verhoogde vraag die dit tot gevolg heeft. Mogelijk zou als gevolg van deze vertraagde effecten het ‘pollution haven’ effect kunnen opduiken: dat bedrijven hun activiteiten verleggen naar locaties met een milder milieubeleid.

Inzetten op een sober gebruik van fossiele brandstoffen

Vandaar dat klimaatbeleid op mondiaal niveau het beste gericht kan worden op een ingetogen gebruik van fossiele brandstofreserves. Dat wil zeggen: meer bronnen ongeëxploiteerd laten. Om dit te bereiken is een mogelijke optie voor rijke landen om wingebieden op te kopen en deze te behandelen volgens de eigen klimaatdoelstellingen (Harstad, 2012). Triest feit is dat een dergelijke opkopingsstrategie realistisch mag zijn voor tropische regenwouden, maar niet voor de mondiale reserves van olie, gas en steenkool.

Doorslaggevende instrumenten om de processen richting groene groei te stuwen zijn daarom: het instellen van juiste prijzen en het stimuleren van innovaties. Beide zijn nauw gerelateerd. Het eerste houdt in: het heffen van belasting op externe kosten ten gevolge van klimaatverandering (CO2 heffingen), het uitbannen van vrijstellingen op CO2 heffingen enerzijds en subidiëring van vervuilende industrieën anderzijds (denk aan steenkool, glastuinbouw of staalindustrie), het creëren van markten en het instellen van verhandelbare emissierechten.

Het tweede instrument, stimulering van innovaties, kan ook gerealiseerd worden door een juiste prijsverhouding in te stellen en door stimulering van research and development. Natuurlijk zijn dergelijke simpele aanbevelingen uit het economisch handboek moeilijk te implementeren in de werkelijkheid. Daar spelen politieke economische overwegingen, onvolkomenheden van de markt, traagheid, of een gebrek aan noodzakelijke investeringsfondsen een verstorende rol. Vandaar dat beleidsmakers in veel opzichten genoodzaakt zijn om terug te vallen op minder gedegen instrumenten. Een saillant voorbeeld hiervan is het energiebeleid, waarbij het enorm moeilijk blijkt om af te komen van de subsidiëring van fossiele brandstoffen en waar introductie van een adequate heffing op CO2 met vele barrières geconfronteerd wordt (e.g., Nordhaus, 2010).

Het vermijden van externe kosten gerelateerd aan klimaat en het creëren van juiste prikkels is aantrekkelijk. Voorvechters van groene groei zouden zich bewust moeten zijn van de Groene paradox en andere valkuilen van de huidige dynamiek van economieën. Groene groei vormt een aantrekkelijk en duurzaam alternatief om uit de mondiale crisis te komen en heeft de voorkeur boven een terugval op ‘bruine groei’. Hiervoor is een route van cumulerende CO2 heffingen nodig om de mondiale klimaatexternaliteiten te corrigeren, naast het uitbannen van steenkool- en andere subsidies op fossiele brandstoffen. Tevens zijn R&D subsidies nodig om de groei een andere richting te geven. Mocht, om politieke redenen, het instellen van heffingen op CO2 niet mogelijk zijn, dan zouden subsidies voor hernieuwbare energiebronnen een goede tweede optie zijn. Dergelijke subsidies brengen, ondanks sommige Groene Paradox effecten op de korte termijn, het CO2 vrije tijdperk naderbij en ze beteugelen de uitstoot van CO2.

Rick van der Ploeg is hoogleraar Economie aan de Universiteit van Oxford en Directeur Onderzoek aan het Centre for the Analysis of Resource Rich Economies (OxCarre). Cees Withagen is hoogleraar milieu-economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde.
Dit is een ingekorte versie van een artikel dat eerder verscheen in ‘Environmental Innovation and Societal Transitions’, nummer 6 (2013) onder de titel: ‘Green Growth, Green Paradox and the global economic crisis’.
 
 

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>