Maak de aanvoerketen transparant

Maak de aanvoerketen transparantIn de garen- en stoffenindustrie van India worden arbeidsrechten met voeten getreden. Nu wordt er binnen de kledingsector gewerkt aan een Internationaal MVO-convenant , maar Marijn Peepercamp is bang dat dat te lang gaat duren. Zij ziet een rol weggelegd voor de overheid.


In de Indiase deelstaat Tamil Nadu bevindt zich bevinden zich circa 1600 spinnerijen die veel grote merken vanuit de hele wereld voorzien van garen en stoffen. De spinindustrie biedt werk aan meer dan 400.000 mensen. Zestig procent van deze mensen zijn meisjes en jonge vrouwen.

Recentelijk hebben we namens twee organisaties onderzoek gedaan bij vijf textiel- en stoffenfabrieken in Tamil Nadu. Dit zijn de Stichting Multinationale Ondernemingen (SOMO) en de Landelijke India Werkgroep (LIW). Daarbij kwam aan het licht dat diverse basale arbeidsrechten in deze fabrieken niet worden nageleefd. We kwamen er achter dat circa 60 procent van de werknemers onder de achttien is. De jongste van hen traden op hun vijftiende in dienst. Werknemers hebben nauwelijks contact met de buitenwereld. Ze slapen in hostels op het terrein van de fabriek, in slaapzalen die ze delen met 35 collega’s. Het is voor werknemers uit de regio niet toegestaan om het terrein te verlaten, anderen mogen dat alleen onder geleide. Deze mensen hebben werkweken van 60 uur, zeven dagen per week. ’s Nachts werken is verplicht, evenals het draaien van overuren. Het salaris bedraagt 20,- tot 52,- euro per maand. Niemand heeft een arbeidscontract.

Dat is de dagelijkse realiteit voor de meisjes en vrouwen die hierheen worden gelokt met mooie verhalen over goede betaling, comfortabel verblijf, drie maaltijden per dag, opleidingsmogelijkheden en een lump sum bedrag na drie jaar. In plaats daarvan komen ze te werken in stoffige, vochtige en benauwde ruimtes onder onveilige en ongezonde omstandigheden. Dat eist een zware tol op de werknemers en leidt zelfs tot zelfmoordpogingen van jonge vrouwen.

De vraag is wat hiertegen valt de doen. Vakbonden en NGO’s hebben nauwelijks macht. Ze worden sterk ingeperkt in hun vrijheid. Vakbondsleden worden bedreigd of beschuldigd van criminele activiteiten. Soms wordt er zelfs geweld tegen ze gebruikt.

Met de rug tegen de muur

Hoewel er enige verbetering optreedt door toedoen van internationale NGO’s en zakeninitiatieven, komt uitbuiting nog veel voor. Er is weliswaar meer internationale aandacht voor duurzaamheid en arbeidsomstandigheden, maar controles vinden alleen plaats bij de fabrieken waar eindproducten worden gemaakt. Dus niet bij de textiel- en garenindustrie van Tamil Nadu.

De prangende situatie is deze: kledingmerken willen hun producten laten produceren voor een zo laag mogelijke prijs. De textielfabrieken hebben geen andere keuze dan het lage bedrag te accepteren, want als ze een hogere prijs bedingen, gaat de opdrachtgever naar een concurrent of naar een ander land. Er zijn wel voorschriften, zoals het Ethical Trading Initiative, de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights en het Bangladesh Veiligheidsakkoord, maar die zijn niet bindend. Daar komt bij dat vakbonden in discrediet worden gebracht en dat overheden vaak inadequaat zijn en tekortschieten. Bovendien hebben lokale overheden er ook belang bij dat de industrie voldoende opdrachten krijgt. Kortom: de textielfabrieken staan met de rug tegen de muur. En er is geen oplossing nabij.

Leveranciers weten ook niet waar de producten vandaan komen

Een belangrijke stap volgens ons, is het creëren van een transparante aanvoerketen. Lang niet alle leveranciers van textiel geven namelijk aan waar hun producten vandaan komen. Of ze weten het niet eens. Als niet nagegaan kan worden waar een stof vandaan komt, kan er ook geen controle bij dat bedrijf plaatsvinden. Dan kan er ook niets gedaan worden aan de arbeidsomstandigheden. Zo verschuilen de spinnerijen (en de kledingmerken) zich. De vijf bedrijven die wij onderzochten, produceerden bijvoorbeeld voor merken als C&A en Primark, maar daarnaast produceerden ze stoffen voor nog minstens 12 andere kledingmerken, waarvan de namen niet voor ons te achterhalen vielen.

Om deze transparantie van de aanvoerketen gerealiseerd te krijgen doen we een beroep op de overheid. De overheid heeft de macht om bedrijven aansprakelijk stellen. Zij kunnen de leveranciers vragen om openbaarheid. Dit is in de gegeven constellatie het enige breekijzer dat ons ter beschikking staat.

IMVO-convenant door kledingsector is te vrijblijvend

Nu gaat er op advies van de SER weliswaar een convenant gesloten worden voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), maar de gekozen benadering is om dat via een sectorale aanpak te doen. (Zie daarvoor ook de bijdrage van Willem Lageweg op deze site). Natuurlijk is samenwerking binnen een sector belangrijk, maar de kledingsector is heel erg divers. Je hebt een paar koplopers, een middengroep en dan heb je vervolgens een heleboel kledingbedrijven die niets doen. Die lappen het aan hun laars.

We zijn heel blij dat minister Ploumen initiatief heeft genomen voor een IMVO convenant . Het is goed dat ze de zaken structureel wil aanpakken. Maar zo’n convenant moet wel body hebben. Het moet bindend zijn, er moet een klachtenprocedure voor werknemers aan verbonden zijn, er moeten NGO’s en vakbonden bij betrokken worden en dan nog is het cruciaal hoe het vormgegeven wordt. We verwijzen hiervoor graag naar de brief van het MVO Platform van 24 november waarin gepleit wordt voor meer transparantie.

We kunnen het niet overlaten aan het bedrijfsleven. Het gaat hier over moderne slavernij, deels van kinderen. Het is te urgent om af te wachten tot de bedrijven gezamenlijk eens wat gaan doen. Dat de minister in haar kamerbrief van 19 november aangeeft dat ze het vooral aan het bedrijfsleven over wilt laten, , baart ons zorgen. Er moet een maatregel komen: verplichte transparantie voor leveranciers. Wij denken dat de overheid de enige partij is die dit soort zaken kan afdwingen bij kledingbedrijven in Nederland.

Frankrijk wil bedrijven een zorgplicht opleggen

In Frankrijk ligt op dit moment een voorstel bij het parlement om bedrijven te verplichten hun zorgplicht, zoals beschreven in de OESO richtlijnen voor internationaal ondernemen te uit te voeren.

Indien het voorstel aangenomen wordt, legt de Franse overheid impliciet een due diligence op aan ondernemingen die goederen produceren in andere landen. Hiermee wordt bedoeld: het uitvoeren van een risicoanalyse of een impact assessment, waarmee mogelijke mensenrechtenrisico’s in kaart worden gebracht met als doel deze te voorkomen of te verminderen. Franse bedrijven zijn hier dan toe verplicht en kunnen daar bij nalatigheid op aangesproken worden. Met andere woorden: een bedrijf wordt verantwoordelijk gemaakt voor de arbeidsomstandigheden in het buitenland. We vinden dit een voorbeeld dat navolging verdient binnen de Nederlandse kledingsector.

Er is vooruitgang, maar het gaat niet hard

We gaan dit ook aankaarten op Europees niveau. Er zijn er vanuit het Europees parlement al vragen gesteld naar aanleiding van het rapport Flawed Fabrics. We werken internationaal samen met de Schone Kleren Campagne, waar wij ook actief lid van zijn.

Het is helaas een kwestie van lange adem. Maar we zien vooruitgang. Na ons eerste rapport kregen we veel negatieve reacties. Na publicatie van het tweede rapport zijn bedrijven toch gaan praten met vakbonden en NGO’s aldaar.De NGO’s zijn trainingen gaan geven, er is toezicht ingesteld. Er gebeurt dus wel wat. Veel druk vanuit hier leidt tot kleine veranderingen daar. Daarom blijven we hier aandacht voor vragen. Want we willen graag kleding kunnen dragen met een schoon geweten.

Marijn Peepercamp is programmamedewerker MVO van de Landelijke India Werkgroep in Utrecht.

You may also like...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>